
Op één ding na. Ik kreeg voor mijn verjaardag nooit wat ik gevraagd had. Altijd iets wat er op leek, maar het net niet was. En Sinterklaas, de rotzak, deed daar ook aan mee. Alle kindjes in mijn klas speelden met Lego. Ik had Monti-blokken. Een wasmiddelenton vol, dat wel, maar dat was niet moeilijk, met die plompe zachtplastic krengen. Je kon er alleen hoekige dingen mee maken. Ook dingen met wielen, maar die wielen konden geen gewicht van belang dragen en ze liepen de hele tijd vast. Mijn overbuurjongen had een Meccano-doos gekregen van Sinterklaas. Meccano! Dat wilde ik ook. Maar blijkbaar had ik mijn verlanglijstje het jaar daarop niet goed ingevuld, want de Pieten bezorgden een merkloze constructiedoos met houten onderdelen die je met plastic schroeven aan elkaar moest maken. Twee keer vast- en losschroeven en ze waren dolgedraaid. Alle jongens hadden een Märklin- of Fleischmanntrein. Ik kreeg een Trix. Mijn wagons pasten niet op hun rails. Zelfs hun boekje met onderdelen, wagons en andere treinen die je kon bestellen was mooier dan het mijne. Mijn racebaan was niet eens een racebaan. Je moest batterijen in de autootjes doen en ze hadden geen afstandsbediening. Ze konden alleen rondjes rijden. Ik hoef de merknamen uit die tijd maar op te roepen en ik voel de frustrerende teleurstelling van het openen van alweer een cadeautje dat het net níet is: Ministeck! Revell! Spirograph! Philips! Dinky Toy! Mijn scheikundedoos had niet eens een deksel. Nadat je de plastic bovenkant los had gemaakt kreeg je hem nooit meer goed dicht. En ik had er niet eens zwavel in zoals in de scheikundedozen van Philips en van mijn modelvliegtuigjes uit Taiwan pasten de twee helften nooit goed op elkaar. Ik heb het nog een tijd geprobeerd met verlanglijstjes met uitgeknipte plaatjes en het adres van de winkel, maar mijn ouders wilden niet inzien dat ‘iets totaal anders’ beter was dan ‘ongeveer hetzelfde’.
Zo modderde ik door in mijn leven. Ik kreeg nooit het meisje dat ik wilde, maar altijd haar zusje, vriendin of huisgenote. En tenslotte was het scriptieonderwerp waarop ik wilde afstuderen al vergeven. Mismoedig begon ik op de geleende Macintosh SE van een vriend aan de saaiste scriptie die er bestond. Maar ik schreef hem dankzij die Apple wel in vier maanden, wat eerst iedereen voor onmogelijk hield, en het glorieuze MacOS-licht begon in mij te stralen. Maar ja, betalen kon ik hem niet. Mijn moeder zegde mij een Atari ST1040 toe. Daar kon je een Mac op emuleren. Toen ik tijdens de buluitreiking de Aula van het Utrechtse Academiegebouw inkeek, zag ik dat ik een leven begon te leiden dat leek op het leven dat ik wilde hebben en het drong tot me door dat ik zélf misschien was gaan uitstralen dat ik met ‘ongeveer hetzelfde’ wel ‘ongeveer blij’ was. Het was genoeg! Vanaf nu zou alles anders worden!
Ik hield voet bij stuk en kreeg niet ‘ongeveer een Mac’ maar ‘een echte Mac’. Dat er sindsdien altijd een appeltje linksboven in mijn scherm staat is niets meer of minder dan een statement. Het symbool van mijn nieuwe leven. Want sindsdien heb ik altijd gekregen wat ik wilde hebben, inclusief het mooiste meisje van Etten-Leur waar iedereen verliefd op was.
Volgens populaire therapeutische inzichten van nu worden familiepatronen altijd doorgegeven. Het zou kunnen. Ik vraag me steeds vaker af wat mijn kinderen moeten met al dat peperdure speelgoed van Lego, K’nex en Eichhorn dat zich onder hun bed opstapelt, wat mankeert er aan spullen van Zeeman, Action en Kruidvat? En als mijn oudste zoon zijn bordje met gewokte broccolli met gegrilde zalm en gestoomde bieslookkrieltjes niet wil eten, zeg ik dat de kindjes in Afghanistan die een boterham van gras moeten eten, zó met hem zouden willen ruilen. Dat verandert niet. Maar wat er ook gebeurt, er zal wel altijd een echte iMac op zijn bureau staan.

